Policy brief over Syrie aan de Tweede Kamer, 10/10/2012

De volksopstand in Syrië duurt nu 18 maanden en is uitgelopen op een gewelddadige politieke crisis en een humanitair drama. De Syrische crisis wordt aangeduid als een burgeroorlog, maar die omschrijving doet weinig recht aan de volstrekt ongelijke machtspositie van het Syrische regime, dat zware wapens en luchtmacht inzet tegen de eigen bevolking, en de opstandige bevolking waaronder licht bewapende groepen als het Vrije Syrische Leger. Inmiddels is een situatie ontstaan waarin geen van de partijen langs militaire weg een overwinning kan halen. Het regime en het leger zijn wel in staat om steeds weer ‘bevrijde’ gebieden te heroveren op het Vrije Syrische Leger, maar blijken vervolgens niet in staat die gebieden weer vast te houden. Deze patstelling leidt dagelijks tot enige honderden doden en een groeiende humanitaire crisis.

Al vanaf het begin van de volksopstand is gewaarschuwd voor het gevaar van spill over naar de buurlanden. Libanon, Turkije, Irak en Jordanië worden al geconfronteerd met grote aantallen vluchtelingen. Turkije en Jordanië hebben al aangegeven de vluchtelingenstroom niet aan te kunnen en houden vluchtelingen bij de grens tegen. In Libanon blijken vluchtelingen niet veilig te zijn. In Libanon heeft de crisis in Syrië al geleid tot verdere toename van interne spanningen en tot geweld in delen van het land. Geen van de partijen in Libanon, inclusief Hizbollah, is uit op een escalatie van het interne conflict, maar de situatie is uiterst riskant. Met de wederzijdse beschietingen tussen Turkije en Syrië is een nieuwe en zeer gevaarlijke fase in de regionalisering van de Syrische crisis aangebroken.

De Syrische oppositie en de bevolking hebben grotendeels de hoop opgegeven dat een inbreng van de internationale gemeenschap, hetzij in de vorm van interventie, hetzij door effectieve diplomatie, zal leiden tot een oplossing van de crisis in Syrië. Er blijven dan twee alternatieven over. Een voortdurend gewapend conflict met alle humanitaire gevolgen en politieke risico’s van dien. Of een politieke oplossing waarbij partijen (binnenslands de Alawieten en personen binnen leger en Baath-partij, internationaal Rusland en Iran) die het regime van Assad ondersteunen, bereid zijn hem op te geven en te dwingen tot aftreden.

Beleid internationale gemeenschap

De Internationale gemeenschap is tot op heden niet in staat geweest daadwerkelijk bij te dragen aan bescherming van Syrische burgers noch aan het vinden van een oplossing van het conflict. De bemiddeling door de gezant van VN en Arabische Liga, Lakhdar Brahimi, heeft ook nog geen resultaat opgeleverd. Brahimi’s werk kan echter nog steeds een bijdrage geven aan de genoemde politieke oplossing en verdient daarom alle steun. Effectief optreden van de VN Veiligheidsraad is verlamd door de tegenstellingen tussen Rusland en China enerzijds en Westerse en Arabische landen anderzijds. Daardoor is elke vorm van militaire interventie met het doel burgers te beschermen, met een VN mandaat uiterst onwaarschijnlijk. Tegelijkertijd zijn verschillende landen al betrokken bij een van de partijen in de Syrische crisis, onder meer door leveranties van wapens, militaire expertise en intelligence. Daarmee is er eigenlijk sprake van een ‘messy intervention’, zonder VN mandaat, die kan leiden tot een feitelijke verlenging van het conflict en niet tot effectieve bescherming van burgers. Daarmee dreigt de situatie in Syrië zich ook steeds meer te ontwikkelen tot een proxy-oorlog. Verschillende Westerse landen onderhouden contacten met de Syrische oppositie. De meeste contacten bestaan, vanzelfsprekend, met de civiele oppositie in het buitenland, in het bijzonder met de Syrian National Council. De SNC heeft echter maar een beperkte rol en weinig prestige binnen Syrië.

De EU heeft vooral ingezet op economische sancties om het regime onder druk te zetten. Deze hebben in eerste instantie zeker zin gehad. Bovendien zou het onacceptabel zijn als Europese landen blijven verdienen aan een dergelijk misdadig regime. Inmiddels is de grens van de effectiviteit van sancties wel bereikt. Verdere uitbreiding ervan zal weinig resultaat opleveren en de Syrische bevolking collectief straffen. Een betekenisvolle stap zou een VN wapenembargo zijn, maar alleen als dat tegen beide partijen effectief uitgevoerd kan worden. Tot nog toe hebben de bondgenoten van Syrië in de VN een dergelijke stap onmogelijk gemaakt.

 Aanbevelingen

  • Europese landen en de EU moeten hun goede contacten met de oppositie inzetten voor het behoud van een civiel karakter van de Syrische revolutie. Concreet betekent dat, Syrische oppositie groepen aanspreken op en ondersteunen bij het voorkomen van wraakacties en het voorkomen van mensenrechtenschendingen en schendingen van oorlogsrecht door gewapende groepen zoals het Vrije Syrische Leger.
  • Samenwerking van Europese landen en de EU met de Syrische oppositie moet er op gericht zijn dat een geschetste politieke oplossing mogelijk wordt gemaakt. Dat vraagt om diplomatieke steun aan groepen en individuen die proberen partijen rond het regime te overtuigen. De Syrische oppositie moet zogezegd in staat worden gesteld het regime en zijn binnenlandse bondgenoten van elkaar los te weken. Daarvoor is het van belang geen partijen uit te sluiten, en vooral met partijen als de Moslim Brotherhood en het Vrije Syrische Leger contacten te leggen.
  • Europese landen en de EU moeten intensief diplomatiek verkeer naar Rusland, China, Iran en andere landen die het Syrische regime blijven ondersteunen, handhaven. Daarvoor is het van belang dat ook onderzocht wordt wat de belangen en zorgen van deze landen zijn om het Syrisch regime te blijven steunen, en op welke manier daaraan tegemoet gekomen  kan worden. In die zin kunnen ook Westerse landen een rol spelen om het regime en zijn bondgenoten van elkaar los te weken. Het eerste doel zou moeten zijn het bereiken van een VN wapenembargo dat effectief is naar beide partijen. De toon mag scherp zijn, maar Europese landen dienen er voor te zorgen op gehoorsafstand te blijven van Rusland en China. Een zekere mate van detente in de relaties met Iran is daarvoor noodzakelijk.
  • Een VN mandaat voor interventie ter bescherming van burgers is uiterst onwaarschijnlijk. Indien er serieus gedacht wordt over interventie, dient het criterium te zijn dat burgers daadwerkelijk beschermd worden, de politieke en humanitaire kosten niet hoger zijn dan het resultaat, en de gewelddadige crisis niet nog verder wordt verlengd. Een interventie op beperkte schaal zonder instemming van de partijen, zoals de instelling van beperkte beschermde zone of een ‘no-fly’zone, bergt juist het risico in zich te leiden tot verdere verslechtering van de situatie en verlenging van het conflict.
  • Door grensincidenten met Turkije kan een vorm van interventie echter haast onvermijdelijk worden, en als NAVO-bondgenoot kunnen ook Europese landen daarin betrokken raken. Turkije weet zijn territoriale integriteit geschonden en doet een begrijpelijk beroep op NAVO-bondgenoten. Een beperkte militaire actie om de territoriale integriteit van Turkije te beschermen kan gelegitimeerd zijn, maar dient wel proportioneel van karakter te blijven.
  • Europese landen moeten zich inzetten voor een effectieve aanpak van het vluchtelingenvraagstuk. De buurlanden van Syrië dienen aangesproken te worden op hun verantwoordelijkheden onder Internationaal recht. Daarbij moeten Turkije en Jordanië er op aangesproken worden dat zij vluchtelingen blijven toelaten. Maar tevens verdienen deze de nodige steun voor de opvang van vluchtelingen en het voorkomen van destabilisering als gevolg van de vluchtelingenstroom. Met name in Libanon zou de EU moeten werken aan een systeem om escalatie van spanningen te kunnen opsporen (early warning). Nederland heeft zich tot nog toe redelijk ruimhartig getoond bij het geven van steun, in het bijzonder aan Turkije, maar met een groeiende problematiek moet ook de Nederlands inzet op niveau blijven.
  • De vluchtelingenproblematiek is te groot om aan de buurlanden alleen over te laten. Europese landen dienen ook een eigen verantwoordelijkheid te nemen voor de vluchtelingen en een deel van hen opnemen. Gevluchte activisten zouden minimaal een tijdelijke verblijfsvergunning moeten krijgen tot het einde van het conflict.
Advertenties

Over Jan Jaap van Oosterzee

Adviseur beleid en public affairs Midden Oosten en Kaukasus bij IKV Pax Christi.
Dit bericht werd geplaatst in Syrië. Bookmark de permalink .

3 reacties op Policy brief over Syrie aan de Tweede Kamer, 10/10/2012

  1. Wim Roffel zegt:

    Ik vind het zeer moeilijk te geloven dat iemand die het aftreden van Assad als voorwaarde stelt voor een oplossing echt geïnteresseerd is in een andere oplossing dan een gewelddadige overwinning van de Syrische oppositie. Het betekent gewoon adoptie van het Amerikaanse beleid van regime change. We hebben in Libië (30.000 doden en anarchie) gezien wat dat betekent.
    Wat Syrië nodig heeft zijn onderhandelingen waarbij Assad en de oppositie aan één tafel zitten en een compromis uitwerken waar beide kanten mee kunnen leven. Wie naar FSA ideologen als Arour en Luhaidan heeft geluisterd weet dat de oppositie daarbij behoorlijk zal moeten slikken.
    Wat Turkije betreft: het idee dat wij hun in NAVO verband hun gaan belonen voor hun stoken in Syrië lijkt mij te gek voor woorden.

    • Volgens mij levert u kritiek op iets wat u hier niet heeft kunnen lezen. Er staat niet dat wij het aftreden als voorwaarde van een proces van onderhandelingen stellen, maar als doel daarvan. Wel klopt dat wij na de manier waarop Assad de opstand tot nog toe behandeld heeft, niet kunnen voorstellen dat er een duurzame oplossing denkbaar is met hem nog steeds als president. Ook de vorige VN gezant Kofi Annan heeft zich in die zin uitgelaten.
      Ook spreken we hier niet over ‘belonen’ van Turkije, maar waarschuwen wij er voor dat als het NAVO-lid Turkije te maken krijgt met Syrische agressie, het onvermijdelijk kan worden dat de NAVO in de oorlog betrokken raakt. Anders zouden we het NAVo bondgenootschap met Turkije moeten opzeggen, dat lijkt me toch tamelijk onwaarschijnlijk.

      • Wim Roffel zegt:

        Aftreden van Assad als doel of als voorwaarde stellen komt volgens mij op hetzelfde neer. Mijn inziens moeten onderhandelingen in de eerste plaats over inhoudelijke zaken gaan en niet over personen. En daar zullen zaken aan de orde komen als de politie die regelmatig martelt, het verbod op het Moslim Broederschap en de corruptie. Maar daar zal het ook gaan over het feit dat Arour, één van de ideologische leidsmannen van de opstand, heeft opgeroepen om Alawieten die Assad steunen in stukjes te hakken en aan de honden te voeren (en dat is maar één van de vele manieren waarop de rebellen haat tegen de Alawieten proberen aan te wakkeren).

        Annan heeft inderdaad gezegd dat Assad weg moest. En dat was maar één van de manieren waarop hij zijn partijdigheid toonde. Het was geen toeval dat zijn missie mislukte. Brahimi doet het ietsje beter, maar ik denk dat hij op de verkeerde weg is met zijn nadruk op een bestand. Het is veel belangrijker dat de partijen daadwerkelijk met elkaar gaan praten. Zolang dat niet gebeurt zullen de beide partijen het bestand als weinig meer zien als een korte pauze.

        Het aanstichten en ondersteunen van een opstand in een ander land is een oorlogsdaad. Syrië heeft daarom het volste recht om gepaste represailles tegen Turkije te nemen (al zou het niet wijs zijn). De NAVO is een bondgenootschap voor gemeenschappelijke verdediging. Niet om aggressieve leden die toevallig zelf ook een paar klappen krijgen in hun aggressie te ondersteunen.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s